3. Keynes en het standaardbeeld van de Grote Depressie

 

 

Het standaardbeeld van de Grote Depressie

Historici hebben de Grote Depressie verklaard als het gevolg van de beurskrach van 1929. De krach maakte een abrupt einde aan de overdreven beurskoersen van eind jaren ’20, juist toen meer mensen dan ooit met hun eigen geld of zelfs met geleend geld waren gaan beleggen. Niet alleen kwamen veel beleggers door de krach in de financiële problemen, tevens maakte het algemene optimisme van de jaren ’20 plaats voor een wijdverspreid pessimisme. Mensen gingen minder uitgeven en bedrijven stelden hun investeringsplannen voorlopig uit, waardoor de productie en de werkgelegenheid enorm afnamen.

 

Keynes
Deze verklaring van de Grote Depressie past bij de theorie die Keynes in 1936 in zijn nieuwe boek The General Theory presenteerde. Volgens Keynes bepaalt de hoeveelheid uitgaven die mensen doen het verloop van de conjunctuur. Als mensen veel uitgeven is er sprake van een hausse of hoogconjunctuur; als mensen weinig uitgeven is er sprake van een recessie of laagconjunctuur. Ter bestrijding van een recessie zou een overheid de uitgaven moeten stimuleren door bijvoorbeeld het geld dat mensen zelf niet meer uitgeven van hen te lenen en dit dan uit te geven aan publieke werken.

       John Maynard Keynes

 

Vooruitlopend op Keynes’ boek probeerden President Herbert Hoover (tot 1933) en President Franklin D. Roosevelt (vanaf 1933) de economie al te stimuleren. Het intensieve stimuleringsbeleid van Roosevelt, dat o.a. publieke werken omvatte, wordt door historici vaak genoemd als de aanleiding voor het voorzichtige economische herstel vanaf 1933. Het definitieve herstel kwam volgens deze historici met de enorme stimulans die de Tweede Wereldoorlog aan de productie gaf. 

 

 

Economen van voor Keynes
Voor Keynes zeiden veel economen dat een economie vanzelf zou herstellen van een recessie en dat tijdelijke crisismaatregelen juist verstorend zouden zijn in dit ‘genezingsproces’. Als er minder uitgegeven werd, zou het prijspeil zich neerwaarts aanpassen, zodat er bij de kleinere hoeveelheid uitgegeven geld nog dezelfde hoeveelheid goederen en diensten verkocht kon worden. Maar volgens Keynes was er geen garantie dat een economie vanzelf zou herstellen, omdat er een neerwaartse spiraal op zou kunnen treden: De lagere werkgelegenheid zou de uitgaven verder verlagen, waardoor de productie verder zou afnemen, de werkgelegenheid weer verder zou inkrimpen, de uitgaven weer verder zouden dalen, etc. De verergering van de depressie van 1929 tot 1933, waarin er ondanks dalende prijzen steeds minder verkocht werd, leek Keynes’ theorie te bevestigen.        

The General Theory

 

 

Terug naar het vorige onderdeel     /     Verder naar het volgende onderdeel