4. De herinterpretatie van de Grote Depressie: De zeepbeltheorie
Begin jaren ’70 kwam de Keynesiaanse theorie in
de problemen door het optreden van een ernstige ‘stagflatie’, een recessie
die samenging met inflatie (stijgende prijzen). Het Keynesianisme kon deze
situatie niet verklaren omdat recessies volgens haar juist met deflatie (dalende
prijzen) zouden moeten samengaan: de lagere uitgaven zouden de verkoopprijzen immers
onder druk zetten. Inflatie wees daarentegen op een toename van de uitgaven,
hetgeen volgens het Keynesianisme juist met een hoogconjunctuur had moeten
samengaan. Ook de eerdere na-oorlogse recessies waren al inflatoir (spreek uit:
inflatoor) geweest, waardoor het Keynesianisme een steeds minder geloofwaardige
verklaring voor recessies bleek te zijn.[1]
|
|
De oorzaak van de depressieIntussen waren economen ook anders tegen de Grote
Depressie aan gaan kijken. Economen als Friedrich Hayek en Murray Rothbard
bijvoorbeeld schreven de depressie toe aan het geldhoeveelheidbeleid in de eraan
voorafgaande periode. Gedurende de jaren ’20 hadden centrale banken onder
Amerikaanse en Britse aanvoering de geldhoeveelheid wereldwijd aanzienlijk
vergroot, wat de prijzen opdreef op de financiële markten, waar dit geld als
eerste terechtkwam.[2]
|
Via de gedupeerde investeerders, producenten en arbeiders die betrokken waren bij de stilgezette investeringsprojecten, verspreidde de recessie zich naar de rest van de economie, bijvoorbeeld via hun lagere vraag naar kantoorartikelen en luxe consumptiegoederen. Door dergelijke "rimpelingeffecten" werden steeds meer sectoren en bedrijven bij de recessie betrokken, zij het in een afnemende mate naarmate zij verder van de investeringsprojecten afstonden. Wat feitelijk gebeurde, was dat de geldinjectie het uitgavenpatroon en daardoor ook het productieapparaat misvormd had en dat een deel van dat productieapparaat (als het ware het zeepbelgedeelte) nu niet langer levensvatbaar was. In de woorden van Hayeks Nobelprijslezing:
|
Voor het gezond maken van het productieapparaat moest de misvorming erin verwijderd worden en vervangen worden door werkzaamheden die wel vol te houden waren - werkzaamheden die niet afhankelijk waren van een voortdurende geldinjectie maar overeenstemden met het uitgavenpatroon van de consumenten. Dit noodzaakte tot reorganisaties en faillissementen in het bedrijfsleven, hetgeen samenging met ontslagen en een voorlopig voorzichtiger aannamebeleid. Hierdoor nam de werkloosheid toe. |
Friedrich A. Hayek |
Bij deze verklaring van de Grote Depressie past een heel andere kijk op het
overheidsbeleid dan die van Keynes. Als de oorzaak van de depressie geen
economiebrede uitgavenafname is maar een abrupte
verschuiving van het uitgavenpatroon
ten koste van nog onafgeronde investeringsprojecten, dan kan de overheid
eigenlijk niets doen om het economisch herstel te bevorderen. Het
productieapparaat moet immers de gelegenheid krijgen om zich weer te richten op
het uitgavenpatroon van de consumenten in plaats van daarvan afgeleid te worden
door extra uitgaven of andere crisismaatregelen van de overheid. Zoals we in het volgende onderdeel zullen zien,
bemoeilijken of vergroten zulke maatregelen juist de aanpassing die het
productieapparaat moet doorlopen om het economisch herstel te bereiken.
|
|
Hiermee keert de herinterpretatie dus terug naar de economische leer van
voor Keynes, waarin ook al gewaarschuwd werd dat overheidsbemoeienis verstorend
zou zijn. Hayek en Rothbard baseerden zich dan ook op het werk van Ludwig von
Mises, die in 1928 nota bene de
depressie voorspeld had maar wiens ‘laissez-faire’ conclusies (dat de
overheid zich niet met de economie zou moeten bemoeien) de tijdsgeest niet mee
hadden. Herinner bijvoorbeeld dat President Roosevelt al overheidswege naar een
oplossing zocht uit de crisis voordat
daarvoor een (beperkte) rechtvaardiging bestond in de vorm van het werk van Keynes. Juist
dit ondoordachte crisisbeleid, dat reeds onder President Hoover aangevangen was,
wordt door de herinterpretatie verantwoordelijk gehouden voor de uitzonderlijke
diepte en duur van de Grote Depressie.
|
|
Ludwig von Mises |
Terug naar het vorige onderdeel / Verder naar het volgende onderdeel
[1] De implicatie van de Keynesiaanse theorie,dat een hoogconjunctuur inflatoir zou moeten zijn en een recessie deflatoir, wordt in het eerste hoofdstukje van mijn scriptie uiteengezet in een geaggregeerd vraag- en aanbodfiguur.
[2]
De VS en het VK coördineerden hun geldhoeveelheidbeleid onderling om de
vaste wisselkoers tussen de dollar en de pond te handhaven. Op hun beurt
volgden andere landen het geldhoeveelheidbeleid van de VS en het VK om de
vaste wisselkoersen van hun valuta met de dollar en de pond te handhaven. De
reden dat de zodoende gecoördineerde internationale geldschepping eerst op de
financiële markten terecht kwam, is dat centrale banken in de regel via
één van de drie onderstaande methoden de geldhoeveelheid vergroten:
- Via een verlaging van de reserveverplichting van banken: banken hoeven
minder geld in hun kasreserve aan te houden en gaan dit tegen rente
uit lenen op de kapitaalmarkt (= alle financiële markten tezamen).
- Via
het ‘disconto-instrument’: de centrale bank verstrekt leningen bestaande
uit nieuw gecreëerd geld aan banken tegen een rente die lager is dan de
marktrente. De banken lenen op hun beurt het extra geld weer uit op de
kapitaalmarkt.
-
Via
‘Open markt operaties’: de centrale bank koopt met nieuw gecreëerd geld
staatsobligaties aan op de kapitaalmarkt. Fondsen die anders belegd zouden
zijn in deze staatsobligaties komen hierdoor op de kapitaalmarkt vrij voor
andere investeringen.
[3] Vertaald uit: Friedrich A. Hayek (1975), Full Employment at Any Price?, Institute of Economic Affairs, p.37.