5. Het ondoordachte crisisbeleid I
President Herbert Hoover

De historici die Roosevelts crisisbeleid geprezen hebben, hebben dit beleid nooit daadwerkelijk geanalyseerd maar hebben slechts aangenomen dat het de bedoelde effecten heeft gehad. Bovendien hebben zij het doen voorkomen alsof zijn voorganger President Hoover geen crisisbeleid voerde maar de economie juist met rust liet—terwijl het tegendeel waar is. Het is zelfs zo dat de belangrijkste crisismaatregelen van Hoover ook vandaag de dag nog regelmatig voorgesteld worden als remedies voor recessies. Alvorens op Roosevelts beleid in te gaan, volgt hier daarom een overzicht van Hoovers crisismaatregelen en van hun negatieve gevolgen.

Herbert Hoover

Protectionisme (importontmoediging): 
Door de import van bepaalde goederen te ontmoedigen konden slechts bepaalde industrieën beschermd worden tegen concurrentie vanuit het buitenland. De exportsector en de economie als geheel leden er onder. Want, doordat Amerikanen minder kochten in het buitenland, waren er minder dollars in het buitenland die terugvloeiden ofwel als exportvraag ofwel als kapitaalimport ter financiering van investeringen. Doordat de dollars nu binnen gehouden werden, werd het aantal besteedde dollars in de VS weliswaar niet verminderd, maar werden ze wel heel anders uitgegeven dan voorheen, waardoor een extra aanpassing moest plaatsvinden in het productieapparaat. Dit verhevigde de recessie.  

Publieke werken:  
De publieke werken werden betaald uit belastinggeld of uit geld dat de overheid leende van de burgers. Hierdoor gingen deze publieke werken ten koste van de uitgaven die de mensen anders met het geld gedaan zouden hebben als ze dit niet aan de overheid afgedragen of uitgeleend zouden hebben. In totaal werd er dus niet meer uitgegeven maar slechts weer heel anders uitgegeven—hetgeen weer een extra aanpassing in het productieapparaat vereiste.

1931-1937: constructie van de Hooverdam.

Publieke werken en andere extra overheidsuitgaven stimuleren alleen de economie als ze betaald worden uit geld dat niet langer ergens anders aan uitgegeven wordt, en dan bovendien door de overheid uitgegeven wordt aan de productiemiddelen die werkloos zijn geworden. Volgens Keynes’ theorie kan tijdens een recessie aan beide voorwaarden voldaan worden, omdat mensen inderdaad minder geld uitgeven dan voorheen en daardoor productiecapaciteit onbenut laten. Maar volgens de herinterpretatie ging de eerste van de twee voorwaarden al niet op: de depressie werd niet veroorzaakt door minder uitgaven, maar door een abrupte verschuiving van het uitgavenpatroon.

Het tegengaan van loon- en prijsdalingen:  
Het herstel van de werkgelegenheid vereist een lager loon dat overeenkomt met de tijdelijk lagere productie, die samenhangt met het verlies van investeringsprojecten en de noodzakelijke reorganisatie in het bedrijfsleven. De federale overheid stond echter niet toe dat bedrijven de lonen verlaagden overeenkomstig de lagere productie. Maar als er minder geproduceerd wordt, dan hebben ongewijzigde reële lonen (=lonen uitgedrukt in de hoeveelheid producten die je ermee kunt kopen) het gevolg dat minder mensen uitbetaald kunnen worden.[1]

Verder moeten de lonen overeenstemmen met de geldhoeveelheid die uitgegeven wordt. Niet onbelangrijk in dit verband was het onderzoek van Milton Friedman en Anna Schwartz, dat aantoonde dat gedurende de ergste crisisjaren de geldhoeveelheid nog eens met bijna een derde afgenomen was. Dit maakte prijs- en loondalingen des te noodzakelijker voor het economisch herstel, zoals de econoom Thomas Sowell uitlegt:  

Milton Friedman

 

President Hoover en daarna President Roosevelt probeerden beiden te voorkomen dat de lonen daalden om zo de koopkracht te handhaven alsmede om humanitaire redenen. Maar het was onmogelijk om dezelfde hoeveelheid arbeiders werk te geven tegen dezelfde lonen als daarvoor, nu de geldhoeveelheid een derde kleiner was. Vergelijkbaar overheidsbeleid om bepaalde prijzen hoog te houden, ging eraan voorbij dat de prijzen in de economie als geheel omlaag moesten als alles gekocht moest worden met een kleinere geldhoeveelheid.

 

Het lijkt beangstigend, maar geen van beide presidenten begreep dit beetje elementaire economie. Bovendien léék het niet alleen beangstigend maar wás het dat ook, omdat het bestaan van miljoenen Amerikanen op het spel stond en velen van hen dramatisch hebben geleden. Alhoewel sommigen geprobeerd hebben FDR af te schilderen als de man die ons uit de Grote Depressie heeft gehaald, waren alle eerdere depressies veel eerder voorbij zonder omvangrijke overheidsinmenging. Dit was feitelijk de eerste depressie waarin de federale overheid zoveel ingreep—eerst onder Hoover en toen zelfs nog meer onder Roosevelt. Sommige economen, waaronder Nobelprijswinnaar Milton Friedman, hebben aangegeven dat het juist het overheidsbeleid was dat tegenging dat de economie zich net zo snel herstelde als voorheen, toen de economie nog met rust gelaten werd.[2]  

Prijsdalingen werden door de Hooverregering onder andere tegengegaan in de landbouw. Maar samen met de subsidies aan de landbouwsector leidde dit tot een enorme overproductie en tot overschotten, die niet tegen de hoge prijzen verkocht konden worden en dus maar vernietigd werden—ondanks dat elders in de VS mensen nauwelijks te eten hadden! Verder verkleinde Hoover in 1932 het besteedbare inkomen van de burgers door een aanzienlijke belastingverhoging door te voeren, die in de plaats kwam van de leningen die in de voorgaande jaren de staatsschuld snel hadden doen aanzwellen.

Terug naar het vorige onderdeel     /     Verder naar het volgende onderdeel

 


[1] Het idee achter het tegengaan van loondalingen was dat lagere lonen de koopkracht zouden verlagen en bijgevolg de productie zouden ontmoedigen. Maar hierbij worden oorzaak en gevolg omgedraaid: de koopkracht van de lonen wordt juist bepaald door de geproduceerde hoeveelheid goederen en diensten die met de lonen gekocht kan worden. Alleen te hoge lonen en prijzen kunnen ervoor zorgen dat niet alle goederen en (arbeids)diensten gekocht kunnen worden met de beschikbare geldhoeveelheid.

[2] Vertaald uit: Thomas Sowell (2001), Basic Economics: A Citizens Guide to the Economy, 1st Edition, Basic Books, p.328.