6. Het ondoordachte crisisbeleid II: 
President Franklin D. Roosevelt

President Roosevelts beleid was vooral een voortzetting en uitbreiding van het crisisbeleid van zijn voorganger. Hij paste hier-en-daar de importtarieven wat aan, breidde de publieke werken uit, verhoogde daarvoor de belastingen nog maar eens flink, en vermeerderde de subsidies aan de landbouw, waar de resulterende overproductie weer vernietigd werd. Bovendien werden er onrealistisch hoge lonen afgedwongen door de vakbonden, die van Roosevelt de macht hadden gekregen om werkgevers te chanteren, o.a. doordat zij het alleenrecht kregen om namens iedereen (ook niet-leden) in hun bedrijfstak de loononderhandelingen te voeren. Door de toegenomen macht van vakbonden nam tevens het aantal stakingen in de VS enorm toe gedurende de Rooseveltjaren.

Franklin D. Roosevelt

Het bedrijfsleven werd daarbovenop lastig gevallen met een scala aan gedetailleerde productie- en prijsvoorschriften, waarmee Roosevelt een planeconomie trachtte in te voeren. Doordat deze voorschriften de onderlinge concurrentie tussen bedrijven bemoeilijkten, hadden zij kartelvorming als neveneffect ten nadele van de consument.

Roosevelts beleid werd onder andere gedreven door een wantrouwen jegens het bedrijfsleven dat zo groot was dat het paranoïde vormen aannam. In zijn boek FDR's Folly meldt historicus Jim Powell de volgende uitspraak, die President Roosevelt tijdens een kabinetsbijeenkomst deed over de slechte economische situatie: “Ik weet dat de huidige situatie het resultaat is van de gecoördineerde inspanningen van de grote bedrijven en het grootkapitaal om de markt naar beneden te halen puur om een situatie te creëren die mij slecht uitkomt…”.  Maar vanzelfsprekend zorgde juist het bemoeizuchte en vijandige klimaat dat weinig bedrijven nog bereid waren om te beginnen met nieuwe investeringen, terwijl die hard nodig waren om de productie en de werkgelegenheid te vergroten.

Nederland

Ook in andere landen werd een bemoeizuchtig crisisbeleid gevoerd vergelijkbaar met dat van Hoover en Roosevelt. In Nederland bijvoorbeeld was onder de misleidende noemer van Colijns “aanpassingspolitiek” sprake van publieke werken, een Keynesiaanse leenpolitiek, prijs- en productievoorschriften, te hoge vakbondslonen, en landbouwsubsidies. Tot overmaat van ramp werd er een protectionistische handelspolitiek gevoerd, ondanks dat Nederland als klein land juist erg afhankelijk was van de internationale handel.

Terug naar het vorige onderdeel     /     Verder naar het volgende onderdeel