Boekentips:

Economie en economische geschiedenis

 

Leve de globalisering (Johan Norberg, 2002)
Zweed Johan Norberg bepleit op heel toegankelijke en overtuigende wijze dat globalisering en vrijhandel beter zijn voor ontwikkelingslanden dan de alternatieven. Dit doet hij o.a. met keiharde cijfers, zoals die in het staafgrafiekje hiernaast. Daarin is te zien is dat ontwikkelingslanden die globaliseren welvarender worden, terwijl ontwikkelingslanden die niet globaliseren armer worden. De welvaart is daarbij gemeten aan het reële BBP per hoofd van de bevolking (=de productie per inwoner), en de globalisering aan de verhouding tussen de internationale handel (export, import) van een land en de binnenlandse productie.

Dit boek is een absolute aanrader voor iedereen die geïnteresseerd is in de ontwikkelingsproblematiek van de Derde Wereld.

How Capitalism Saved America (Thomas DiLorenzo, 2004)
De eerste twee hoofdstukken van dit boek leggen op theoretische gronden uit waarom de vrije markt het beste de welvaart bevordert. Kort gezegd: ..omdat op de vrije markt mensen alleen een transactie aangaan als ze verwachten in termen van welvaart of welzijn er beter op te worden. Transacties op de vrije markt zullen daarom in de regel de welvaart en het welzijn verbeteren, terwijl dat bij overheidsacties nog maar de vraag is. Daar is het immers voor de burger veel moeilijker om afstand te doen van ongewenste diensten.

Waar als dit moge zijn, de overtuigde socialist of paternalist zal nog niet onder de indruk zijn. Daarom geeft DiLorenzo in de eropvolgende hoofstukken een economische geschiedenis van de VS, die laat zien hoe het vrije markt kapitalisme in de praktijk telkens voor verbeteringen zorgde, terwijl overheidsingrijpen deze verbeteringen voortdurend bedreigde. DiLorenzo behandelt onder andere de landbouwprivatisering in de vroegkoloniale periode, de aanleg van infrastructuur in de eerste helft van de 19e eeuw, de stijgende welvaart van de arbeidersklasse, de grootkapitalisten en de ‘trusts’ van de laat 19e eeuw, de Grote Depressie van de jaren ‘30, en de energiecrises sinds de jaren ’70. Dit boek is economische geschiedenis op zijn best.
 

Economic Freedom of the World -annual report 2005
Uit dit jaarlijkse rapport van het Canadese Fraser Institute blijkt dat een hogere mate van economische vrijheid (d.w.z. minder overheidsregulering van de handel en de productie) samengaat met een hogere welvaart, een hogere economische groei, minder werkloosheid, minder armoede, een hogere levensverwachting, minder analfabetisme, een lagere kindersterfte, en minder kinderarbeid.

 

Before the Industrial Revolution (Carlo Cipolla, 3e druk 1993)
Degenen die denken dat de industriële revolutie een einde maakte aan een idyllisch en romantisch bestaan op het platteland of in de middeleeuwse stad, zouden dit boek moeten lezen. Het was voor de industriële revolutie namelijk één en al honger, armoede, ellende, en ongezonde smerigheid.

Loosing ground: American Social Policy 1950-1980 (Charles Murray, tweede druk 1990)
In dit boek doet Charles Murray verslag van het Amerikaanse sociale beleid in de periode 1950 tot 1980. De tweede druk is bovendien aangevuld met een inleiding die de lezer bijpraat over de periode 1980 tot 1990. In zijn boek bespreekt Murray het volgende patroon: Terwijl de sociale voorzieningen toenamen, bleven er meer mensen arm; terwijl de overheidssteun aan alleenstaande moeders guller werd, nam het aantal alleenstaande moeders en buitenechtelijke geboortes toe; terwijl de straffen en de veroordelingskans verminderden, steeg de misdaad. Rara, hoe kan dat? 

De bezorgde lezer zal zich afvragen: “Maar als de verzorgingsstaat zijn doel dus niet bereikt, wat is dan het alternatief?” Daarom vergeet Murray niet te melden dat de armoede wel afnam in de periode voorafgaand aan de groei van de verzorgingsstaat, en dat de ervaringen met lokaal georganiseerde liefdadigheid aanleiding zijn om te geloven dat deze inmiddels meer dan voldoende zal zijn om de daadwerkelijk hulpbehoeftigen te ondersteunen. Zie het artikeltje van Mary Ruwart 'Maar…wat gebeurt er dan met de armen?' voor een verdere geruststelling.

 

FDR’s Folly (Jim Powell , 2003)
Jim Powell beschrijft in detail het economische beleid dat President Franklin D. Roosevelt voerde in de jaren ’30. Dit beleid, dat bekend staat als de ‘New Deal’, was er volgens Powell voor verantwoordelijk dat de economie niet herstelde van de Grote Depressie maar bleef voortmodderen met een werkloosheid die het hele decennium erg hoog bleef.

Voor een kort overzicht van het beleid dat Roosevelt en zijn voorganger Hoover hebben gevoerd zie mijn educatieve bladzijden over de Grote Depressie.

 

Free to Choose (Milton en Rose Friedman, 1979)
Free to choose is zowel de titel van de tv-documentaire van Nobelprijswinnaar economie Milton Friedman, als van het boek dat daarop gebaseerd is. De tv-documentaire bestaat uit de volgende afleveringen:

 

1. The Power of the Market

over hoe de vrije markt welvaart creëert.

2. The Tyranny of Controls

over hoe overheidsdirigisme zowel de welvaart als de individuele vrijheid vermindert.

3. The Anatomy of Crisis over de Grote Depressie van de jaren ’30.
4. From Cradle to Grave over de verzorgingsstaat.
5. Created Equal hoe verschillende gelijkheidsidealen zich verhouden tot de vrije markt.
6. What’s Wrong with Our Schools? waarom de kwaliteit van het onderwijs afneemt en hoe Friedmans bekende “voucher”-voorstel een oplossing biedt.
7. Who Protects the Consumer? hoe concurrentie tussen producenten zorgt voor betere en veiligere producten, terwijl regelgeving juist veel negatieve neveneffecten heeft.
8. Who Protects the Worker? hoe concurrentie tussen werkgevers de arbeiders beter beschermt dan vakbonden en arbeidsmarktregulering.

9. How to Cure Inflation

over de oorzaak en oplossing van inflatie.

10. How to Stay Free

wetsvoorstellen om de macht van de overheid in te perken.


De afleveringen bestaan telkens uit een filmpje van ongeveer 30 minuten gevolgd door een discussie tussen Friedman en andere prominenten van ook ongeveer 30 minuten. De filmpjes zijn boeiender dan de discussies, hoewel die bij tijd en wijle ook wel leerzaam zijn.

Na de Free to Choose tv-documentaire kwam het Free to Choose boek uit, dat Milton Friedman samen schreef met zijn vrouw Rose, die ook een verdienstelijk econoom is. De hoofdstukken van het boek komen overeen met de afleveringen van de documentaire, alleen heet het tiende en laatste hoofdstuk nu “The Tide is Turning” n.a.v. de ideologische koerscorrectie die eind jaren ’70 optrad: in plaats van steeds meer overheidsdirigisme werd een geleidelijke ontwikkeling ingezet naar meer economische vrijheid. In de politiek kwam dit tot uitdrukking in de Reagan- en Thatcherregeringen die (o.a.) meer economische vrijheid in hun programma’s hadden.

Het negatieve imago van het economisch beleid van Reagan en Thatcher heeft overigens weinig substantie, zo merkt voormalig HP/De Tijd columnist Bart Croughs terecht op in een interview:

Kunt u er een verklaring voor geven dat het redelijk extreme marktdenken a la Thatcher en Reagan in diskrediet is geraakt ?
Voor een stelling die niet klopt, kan (...) ik geen verklaring geven. Als Reagan's gedachtegoed in diskrediet is geraakt, waarom voelt een big-government-democraat als Clinton zich dan genoodzaakt aan de vooravond van de verkiezingen te verkondigen: 'The era of big government is over'? Als Thatcher's gedachtegoed in diskrediet is geraakt, waarom draait Labour Thatcher's veranderingen dan niet terug? Ze hebben nu de macht om dat te doen. Ze doen dat niet, omdat ze in feite geaccepteerd hebben dat Thatcher gelijk had. Het Thatcherisme is sinds de jaren tachtig dus niet verzwakt, maar juist versterkt: nu accepteert ook Labour de juistheid van Thatcher's ingrepen, en dat was in de jaren tachtig bepaald niet het geval. Ook in Nederland is het marktdenken niet in diskrediet geraakt. Integendeel: werden Thatcher en Reagan in de jaren tachtig hier nog verdoemd als duivelse krachten, nu, 10-15 jaar later, doet de Nederlandse staat exact wat Reagan en Thatcher indertijd deden: nl. voorzichtige pogingen tot privatiseren en dereguleren. Maar het tempo is natuurlijk veel te laag, daar heeft u gelijk in.

The Case Against the Fed (Murray Rothbard, 1994)
In het eerste deel van dit boekje geeft Rothbard een inleiding tot de geldtheorie. Een belangrijke bevinding van de geldtheorie is dat inflatie (een stijgend prijspeil) veroorzaakt wordt doordat de centrale bank voortdurend extra geld bijdrukt, dat via de banken in circulatie gebracht wordt en vervolgens de prijzen opdrijft. Maar als inflatie veroorzaakt wordt door de centrale bank, is het dan niet een beetje vreemd dat we de inflatiebestrijding juist de taak van de centrale bank hebben gemaakt?

Hoe dit (in de VS) heeft kunnen gebeuren, blijkt in het tweede deel van dit boekje. Daar geeft Rothbard een korte ontstaansgeschiedenis van de in 1913 opgerichte Amerikaanse centrale bank, de Federal Reserve. Na jaren lang propaganda gefinancierd te hebben dat zo’n centrale bank in het “algemeen belang”  zou zijn, kwamen de belangrijkste bankiers in 1910 in het geheim bijeen om tot een concreet wetsvoorstel te komen. Dit wetsvoorstel werd uiteindelijk in 1913 ingediend door bevriende politici en garandeerde na goedkeuring door een op dat moment welwillend Amerikaans congres, dat het bankensysteem (tot op de dag van vandaag) voortdurend extra geld toegestopt zou krijgen. In zijn boek A History of Money and Banking in the United States (2002) gaat Rothbard verder in op deze intrigerende ontstaansgeschiedenis van de Federal Reserve.

Als de centrale bank niet de oplossing maar zelf het probleem is, wat kunnen we dan wel doen aan inflatie? Juist, zegt Rothbard, de centrale bank opheffen dus. Een terugkeer naar de gouden standaard, waarbij elke dollar tegen een vaste omwisselkoers voor 100% gedekt wordt door goud in de kassen van private banken, zou de omvang van de geldhoeveelheid uit de invloedsfeer van de overheid en politieke lobbies halen. In plaats daarvan zou de omvang van de geldhoeveelheid afhankelijk worden van de wereldgoudproductie. Aangezien de wereldgoudproductie lager is dan de toename van de totale productie van goederen en diensten, zou een milde deflatie (een dalend prijspeil) het gevolg zijn: de handel in producten groeit dan immers sneller dan de geld/goudhoeveelheid, waardoor er per verhandeld product steeds wat minder geld/goud beschikbaar zou zijn. Met andere woorden we zouden steeds meer ‘waar’ (=producten) voor ons geld krijgen. De tweede helft van de 19e eeuw was zo’n periode van deflatie én van een hoge economische groei. Dit laatste is natuurlijk in tegenspraak met de propaganda van allerlei inflationisten, die ons voortdurend bang willen maken voor de vermeende negatieve economische groei effecten van deflatie.

 


Ideologie / politieke filosofie

 

Open Letters (Václav Havel, 1991)
Van de essays in deze verzameling is “The Power of the Powerless” (1978) wellicht Havels meest invloedrijke geweest. Hij omschrijft daarin uitgebreid hoe de totalitaire regimes van het Oostblok op dat moment feitelijk in stand werden gehouden door de medewerking van de onderdrukten. De Engelse vertaler geeft de invloed van het stuk aan:

Havel’s essay had a profound impact on Eastern Europe. Here is what Zbygniew Buja, a Solidarity activist, told me: “This essay reached us …at a point when we felt we were at the end of the road. (…) There came a moment when people thought we were crazy. Why were we doing this? Why were we taking such risks? Not seeing any immediate and tangible results, we began to doubt the purposefulness of what we were doing. (…) Then came the essay by Havel. Reading it gave us the theoretical underpinnings of our activity. It maintained our spirits; we did not give up. (…) When I look at the victories of Solidarity and Charter 77, I see in them an astonishing fulfillment of the prophecies and knowledge contained in Havel’s essay.”

Een ander interessant stuk in deze verzameling is “Politics and Conscience” (1984), waarin Havel de totalitaire regimes van Oost-Europa als een symptoom neerzet van een bredere crisis in onze beschaving:

System, ideology, and apparat have deprived us … of our conscience, of our common sense and natural speech and thereby, of our humanity. States grow ever more machinelike; (…) This impersonal power has achieved what is it most complete expression so far in the totalitarian systems. …no error could be greater than the one looming largest: that of a failure too understand the totalitarian systems for what they ultimately are – a convex mirror of all modern civilization… Totalitarian regimes … are the avant-garde of a global crisis of this civilization… they illustrate the total rule of a bloated, anonymously bureaucratic power, …a power grounded in an omnipresent ideological fiction which can rationalize anything without ever having to come in contact with the truth. …power which makes thought, morality, and privacy a state monopoly and so dehumanizes them…

Hoewel Havel in 1989 president van Tsjechoslowakije werd en in 1993 de eerste president van Tsjechië, is het zijn daaraan voorafgaande intellectuele bijdrage die het belangrijkst is geweest en die meer aandacht verdient. Havel is een voorbeeld van een pen die machtiger is dan het zwaard.

 

The Vision of the Annointed: Self-Congratulation as a Basis for Social Policy (Thomas Sowell, 1995)
Dit boek gaat over het gedachtegoed en de argumentatie van wat we in Nederland inmiddels de “linkse kerk” noemen. Het idealisme van deze "wereldverbeteraars" blijkt meer op zelfverheerlijking te zijn gebaseerd dan op gedegen onderzoek naar de sociale problematiek waar ze zich voor pretenderen in te zetten. En juist omdat ze menen dat de oplossingen geen verder onderzoek vereisen maar voor de hand liggen, zien zij hun ideologische tegenstanders (alles op rechts) niet als oprechte andersdenkenden maar als kwaadaardige saboteurs, die de voor de hand liggende oplossing moedwillig in de weg staan. Deze tegenstanders mogen dan ook zonder moreel bezwaar gedemoniseerd worden als zijnde bekrompen, harteloos, gevaarlijk, etc.

Het eerste hoofdstuk van het boek is naar het Nederlands vertaald en is hier te vinden.

 

The Moon is a Harsh Mistress (Robert A. Heinlein, 1966)
In dit SciFi verhaal is Manuel de onderhoudsmonteur van de zelfbewuste supercomputer Mike. Manuel stelt Mike voor aan de beroepsrevolutionair Wyoming (v) en de anarchistische professor Bernando de la Paz. Met zijn vieren plannen ze een revolutie om de maankolonie waarop ze wonen te bevrijden van de onderdrukking door de federale naties van de aarde. De professor modeleert de revolutie naar de Amerikaanse opstand in de 18e eeuw, die de Verenigde Staten destijds onafhankelijk maakte van Groot-Brittanië. Aan zijn mede-revolutionairen stelt hij bovendien de volgende cruciale vraag: Under what circumstances is it moral for a group to do that which is not moral for a member of that group to do alone? 

Degenen die vinden dat geen enkele handeling, die voor een individu immoreel is, ineens wel moreel wordt wanneer die gedaan wordt door een groep, zullen ook het hieronder besproken boek zeker interessant vinden.

 

For a New Liberty: the Libertarian Manifesto (Murray Rothbard, herziende druk 1978)
Oorspronkelijk stond het Engelse woord “liberal” voor laissez-faire liberaal, maar geleidelijk is de betekenis ervan veranderd in progressief of sociaal-democraat. Voor laissez-faire liberaal moest dus een andere term uitgevonden worden, en dat werd “libertarian”. Omdat ook in het Nederlands het woord liberaal inmiddels lang niet altijd meer laissez-faire liberaal betekent, wordt voor laatstgenoemde ook wel de nieuwe term “libertariër” gebruikt en voor de bijbehorende stroming de term “libertarisme”.

In dit boek worden de beginselen en een aantal toepassingen van het libertarisme uiteengezet door één van de voornaamste libertarische denkers: econoom Murray Rothbard. Rothbard leidt de beginselen van het libertarisme af van het zogenaamde non-agressieprincipe, dat inhoudt dat niemand het recht heeft om geweld te initiëren tegen een ander. Geweld is daarbij gedefinieerd als het schenden van het lijf en het eigendom van een ander, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt bij moord, fysieke dwang en diefstal. Het libertarisme is evenwel wat anders dan pacifisme omdat geweld wel legitiem bevonden wordt als verdediging, als straf, of als genoegdoening tegen diegenen die het non-agressieprincipe geschonden hebben. Criminelen (bewezen schenders van het non-agressie principe) mogen dus opgesloten en gestraft worden.

Rothbard wijst er op dat de staat historisch gezien de grootste overtreder is van het non-agressieprincipe: 

While opposing any and all private or group aggression against the rights of person and property, the libertarian sees that throughout history and into the present day, there has been one central, dominant, and overriding aggressor upon all of these rights: the State. In contrast to all other thinkers, left, right, or in-between, the libertarian refuses to give the State the moral sanction to commit actions that almost everyone agrees would be immoral, illegal, and criminal if committed by any person or group in society. The libertarian, in short, insists on applying the general moral law to everyone, and makes no special exemptions for any person or group. (p.24)

For centuries, the State (or more strictly, individuals acting in their roles of “members of the government”) has cloaked its criminal activity in high-sounding rhetoric. For centuries the State has committed mass murder and called it “war”; then enobled the mass slaughter that “war” involves. For centuries the State has enslaved people into its armed battalions and called it “conscription” in the “national service.” For centuries the State has robbed people at bayonet point and called it “taxation.” In fact, if you wish to know how libertarians regard the State and any of its acts, simply think of the State as a criminal band, and all of the libertarian attitudes fall into place. (p.46)

Hiertegen zou ingebracht kunnen worden dat de staat een noodzakelijk kwaad is, omdat zij dan tenminste tracht te voorkomen dat haar onderdanen onderling het non-agressie principe schenden. Maar in het toepassingsgedeelte van zijn boek laat Rothbard zien dat recht en ordehandhaving ook zonder de staat voorzien kunnen worden en ook daadwerkelijk wel eens zonder de staat voorzien zijn. De staatloze maatschappij waarvan dan sprake is, wordt ook wel anarcho-kapitalisme genoemd.

In het anarcho-kapitalisme zouden de particuliere politieorganisaties elkaar niet in de haren vliegen in een poging om monopolist (feitelijk: een staat) te worden, omdat hun onderlinge concurrentie om de gunst van de klant dit tegengaat. Oorlog voeren tegen andere politieorganisaties creëert hoge materiële en personele kosten, die opgebracht moeten worden uit hoge premies aan hun cliënten—die van politieorganisatie zullen veranderen omdat zij liever bij een vreedzame en goedkope organisatie zitten. Ook zullen politieorganisaties (en hun cliënten) gebaat zijn bij onderlinge samenwerking tegen een eventuele agressieve politieorganisatie.

Juist het kunnen afwentelen van kosten op anderen heeft ertoe geleidt dat onze huidige politieorganisaties (overheden) zo oorlogzuchtig zijn: de kosten van hun agressie zijn niet voor de overheden zelf maar voor de belasting- en dienstplichtigen. Om deze situatie te bereiken was wel de nodige ideologische propaganda nodig. Aldus werd het kanonvoer en het belastingvee voorgehouden dat hun offers een nobel doel dienden: de nationale veiligheid (neoconservatisme), de heerschappij van het proletariaat (socialisme), de glorie van volk en vaderland (nationalisme), of de wil van God (Jihad). Verder waren de intellectuelen maar al te gretig om het bestaan van de staat weer te geven als noodzakelijk en heilzaam voor haar onderdanen. In ruil hiervoor was voor deze intellectuelen immers een gezaghebbende en comfortabele rol weggelegd in het staatsapparaat, zoals aan de staatsuniversiteiten of bij de ministeries.

Voor libertariërs volgt uit Rothbards analyse natuurlijk een heel andere ideologische rol: het de-legitimiseren van de overheid en haar op geweld gebaseerde activiteiten. In dit boek doet Rothbard dit aan de hand van hoofdstukken over de libertarische beginselen, de aard van de staat, particuliere recht- en ordehandhaving, burgerrechten, onderwijs, de verzorgingsstaat, economische crises, overheidsbedrijven, infrastructuur, milieu, en het buitenlands beleid. Het boek is hier in zijn geheel te vinden op de website van het Mises Institute. Veel leesplezier!

 

Atlas Shrugged / Atlas in staking (Ayn Rand, 1957)
Dagny Taggart geeft succesvol leiding aan een spoorwegmaatschappij. Het werk wordt haar echter moeilijk gemaakt door bemoeizuchtige bureaucraten, die steeds verder een planeconomie willen invoeren en daarom in toenemende mate Dagny opleggen wat zij moet doen. Tot overmaat van ramp verdwijnen er onder mysterieuze omstandigheden voortdurend succesvolle ondernemers, waaronder de leveranciers en klanten waarvan Dagny's spoorwegmaatschappij afhankelijk is. Maar ze is vastbesloten om niet op te geven.

Dit boek valt in het genre van Orwell’s 1984 maar is optimistischer. Het was aanleiding voor Ayn Rands eigen pro-kapitalistische filosofie, die haar veel bewonderaars bracht, inclusief een groep strikte volgelingen, die zich zelf "objectivisten" noemt. In de Verenigde Staten kwam het boek na de bijbel op de tweede plaats in een nationale enquête met als vraag “welk boek heeft uw leven het meest beïnvloed?” In 2007 is in Nederland een vertaling uitgebracht onder de titel "Atlas in staking".


Cultuur

 

From Dawn to Decadence: 500 Years of Western Cultural Life, 1500 to the present (Jacques Barzun, 2000)
Barzun geeft ons een zeer leesbare cultuurgeschiedenis vanaf de reformatie tot het heden. Het meest interessante is zijn beschrijving van het Modernisme. Moderne kunst kan volgens Barzun het beste gezien worden als een parodie op kunst, als het ware als anti-kunst. De eerste modernisten erkenden dit ook door hun stroming ‘Dada’ te noemen (hetgeen Franse babypraat is) en door bijvoorbeeld een Mona Lisa met snor te tekenen. Waar kunst voorheen gedefinieerd werd als ‘Mensheids hoogste spirituele expressie’, kon vanaf dat moment zo’n beetje alles voor kunst doorgaan. Aldus kon iedere idioot voortaan kunstenaar zijn:

For one thing, some of the genres such as Found Art do not require long study or much practice. For another, the unimportance of subject matter eliminates the need for psychological or other truth in the work. In other words, the demand for genius has died out. Accordingly, there has sprouted throughout the western world a great number of museums, galleries, workshops, sidewalk shows, and government or business programs in order to (…) accommodate children’s art, art by the physically or mentally disabled, art by convicts, art by chimpanzees. (p.724)

Maar is er dan helemaal geen definitie of een criterium voor wat moderne kunst is?:

As for spotting general characteristics [in modern art], the task is difficult (…). A critical term first used about Modernism tells us why: its arts have been promoted and accepted as “experimental”. The word stands for endless efforts to be different; it is one of the many misnomers of our time. An experiment is conducted under rigorous conditions; it follows a method, relies on others’ most recent research, and is subject to review by peers. The artist’s effort is entirely individual and uncontrolled. It is barely trial and error, since there exists no standards by which error can be gauged and a better trial made. (…) Still, the word experimental proved a great convenience as mind-opener. It made the public, inured by science, take the improbable with composure. (p.730)

Eigenlijk zei modernist Andy Warhol het ook al: Art is what you can get away with.  

 

Human Accomplishment: The Pursuit of Excellence in the Arts and Sciences 800BC to 1950 (Charles Murray, 2003)
Murray ziet net als Barzun een afname van de genialiteit in de kunst, maar ook in de wetenschap. Hoe komt hij tot deze conclusie? Hij telt en weegt baanbrekende prestaties aan de hand van de aandacht die eraan besteed wordt in hedendaagse encyclopedieën. Dan blijkt dat dit aantal prestaties al zeker sinds het midden van de 19e eeuw per inwoner aan het afnemen is. Maar waardoor komt dit?

Murray schrijft deze ontwikkeling toe aan de hedendaagse seculaire cultuur, waarin vermaak het hoogste goed is. In de wetenschap valt het negatieve effect hiervan nog mee, want de wil om te ontdekken is er in essentie nog steeds, en bijgevolg is de neerwaartse trend in de wetenschap dan ook beperkt gebleven. Maar voor de kunst is de huidige hedonistische cultuur funest: alleen culturen, die vanuit een religie of een filosofie, een duidelijk beeld hebben van ‘het goede’ en die het menselijk bestaan betekenis geven, hebben grote kunst voort gebracht. Evenwel is Murray niet pessimistisch. Het kan niet zo zijn, stelt hij, dat mensen die niets geven om het mooie en het goede in kunst de universitaire faculteiten blijven domineren en de toon van het debat blijven zetten. Mensen die literatuur, muziek en schilderkunst waarderen, zullen onvermijdelijk een comeback maken. Op de vraag of die mensen, die streven naar het het goede en naar een betekenis in het leven, zichzelf dan voor de gek houden, antwoordt Murray het volgende:

If it is a statement of fact, as I believe can be demonstrated, that human beings with the potential for excellence generally have done best in cultures where people believe the universe to have transcendental meaning, one must ask why. The easy answer is that the giants of the past were deluded. (...) But ... Is it not implausible that those individuals who accomplish things so beyond the rest of us just happened to be uniformly stupid about the great questions? (...) when human beings are functioning at the heights of human capacity, it is a good idea to begin by assuming that they are doing something right. (...)

Human beings have been most magnificently productive and reached their highest cultural peaks in the times and places where humans have thought most deeply about their place in the universe and been most convinced that they have one. What does this tell us? (...) 

The rest of us may not be able to paint like Titian or compose like Debussy, but all of us who feel impelled to try to live the best possible human life are engaged in the same larger enterprise. (...) The enduring impression I carry away from this exploration of human accomplishment is not so much what the people who build the human résumé did as how they did it. Some fit the image of the genius ... but ... they more commonly resembled a craftsman ... struggling to get it right ... with a vision of perfection insistently pulling him onward.

A story is told about the medieval stone masons who carved the gargoyles that adorn the great Gothic cathedrals. Sometimes their creations were positioned high upon the cathedral ... invisible from any vantage point on the ground. They sculptured these gargoyles as carefully as any of the others, even knowing that ... their work would remain forever unseen by any human eye. It was said that they carved for the eye of God. That, written in a thousand variations, is the story of human accomplishment. (p.457-458)

Gilligan Unbound: Pop Culture in the Age of Globalization (Paul Cantor, 2001)
In dit boek vergelijkt Cantor hoe er in twee populaire tv-series uit de 1960’s en in twee populaire tv-series uit de 1990’s tegen de Amerikaanse centrale overheid en de globalisering aangekeken wordt.

De twee tv-series, die hij representatief acht voor de jaren ’60 zijn Gilligan’s Island en Star Trek. Gilligan’s Island gaat over een groepje Amerikanen, dat gestrand is op een afgelegen eiland in de oceaan. Ze handhaven zichzelf succesvol langs Amerikaanse liberaal-democratische waarden en tonen zich daarin keer op keer (moreel) superieur aan de lokale bevolking. Zodoende wordt een positief beeld geschetst van de VS en van diens dominante rol op het wereldtoneel. Globalisering is gelijk aan Amerikanisering en wordt gerechtvaardigd door de Amerikaanse morele superioriteit.

Ook in Star Trek is dit het geval: planeet na planeet is beter af na een ingrijpend bezoek van het ruimteschip The Enterprise van de “Verenigde Federatie van Planeten” – duidelijk een extrapolatie van de Verenigde Staten van Amerika. Het positieve beeld dat in beide series geschetst wordt van de rol van de Amerikaanse overheid op het wereldtoneel hangt natuurlijk samen met de toenmalige situatie van de koude oorlog en van de daaraan voorafgaande succesvolle Amerikaanse interventie in WO2.

In de twee tv-series die Cantor representatief acht voor de 1990’s wordt echter al heel anders aangekeken tegen de Amerikaanse (centrale) overheid en de globalisering. In het dagelijkse leven van The Simpsons speelt de centrale overheid nauwelijks een rol van betekenis meer in vergelijking met de lokale overheid en lokale organisaties zoals de kerk en de middelbare school. Op beide niveaus wordt de overheid bovendien neergezet als corrupt en inefficiënt. Ook is er geen positieve uitstraling meer van de VS naar buiten. Het is nu de VS die door de globalisering beinvloed wordt in de vorm van allerlei producten en bezoekers uit het buitenland.

In The X-files worden deze veranderingen ten opzichte van de jaren ‘60 nog scherper neergezet. De invloed van buitenaf, in dit geval een buitenaardse invloed, is hier duidelijk bedreigend, en de centrale overheid is betrokken bij het buitenaardse complot tegen zijn eigen burgers. Het gewijzigde beeld hangt samen met de onzekere wereldpolitiek na de beëindiging van de koude oorlog en met de steeds cynischere kijk die Amerikanen hebben op de centrale overheid en de politiek. Dat beide series niet alleen in de VS maar elders ook aanslaan, geeft blijk van een vergelijkbare ontwikkeling van de publieke opinie aldaar.

Voor libertariërs is deze ontwikkeling goed nieuws. Zij prefereren immers lokale gemeenschappen boven een machtige centrale staat, en ook zien vele van hen de huidige wereldpolitiek als een excuus voor het staatsapparaat om zijn eigen bestaan en zijn eigen totalitaire agenda te legitimeren. Cantor bespreekt deze anti-overheidtrends samen met andere trends in de populaire cultuur aan de hand van concrete voorbeelden uit de afleveringen van de vier series. Soms zijn zijn voorbeelden wat ver gezocht, maar meestal is zijn analyse erg verhelderend en interessant.

 


Onderwijs

 

Begin Here: The Forgotten Conditions of Teaching and Learning (Jacques Barzun, 1991)
Jacques Barzun schrijft niet vanuit een moderne onderwijsvisie maar gebruikt zijn gezonde verstand. Iets dat volgens hem juist in het moderne onderwijs niet altijd gebeurt:

…the great reservoir of educational nonsense is, first and last, confusion. And by confusion I mean (…) confounding—taking one thing for another. For example, when Rousseau or Dewey suggests: let the child discover for himself, let him learn geometry and logic by struggling, let him teach himself—and I imagine every good teacher has in him the spirit of that injunction—the dedicated confounder makes of the hint a program.

 

A second element at work is the belief in change and modernity. …in fact there is no cruder mode of judging than that which asks: Is it new? (…) Innovation in the popular sense generally has something paradoxical, up-the down-staircase, about it which immediately appeals to weak and jaded minds.

In dit boekje bekritiseert Barzun ondoordachte onderwijsvernieuwingen, het gebruik van pretentieus jargon (zoals competenties, skills, etc.) en natuurlijk de idioterie in de klas die ermee samengaat.

 

Inside American Education (Thomas Sowell, 1993)
Het gaat slecht met het Amerikaanse onderwijs. Sowell geeft aan dat de oplossing niet gezocht moet worden in simpelweg meer geld aan onderwijs uitgeven. Integendeel, de verslechtering van de taal- en wiskundescores van high school leerlingen op de SAT-toets is samengegaan met een enorme toename van onderwijsuitgaven. Sowell geeft de schuld aan overambitieuze onderwijsvernieuwingen en pogingen om via het onderwijs allerlei sociale idealen te bereiken in plaats van les te geven in lezen, schrijven en rekenen. 

Ook op universiteiten is het een en ander mis. Positieve discriminatie bij toelating heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat zwarte studenten, die prima in staat waren om een studie af te ronden, in te hoog gegrepen studieprogramma’s terechtkwamen. De uitval onder deze zwarte studenten nam hierdoor enorm toe.

Een naar het Nederlands vertaalde column van Sowell over de poging van het moderne onderwijs om leerlingen "kritisch denken" aan te leren is hier te vinden.

 


Psychologie

 

Please Understand Me (David Keirsey, Marilyn Bates, 1984)
Wanneer ouders en docenten, maar vooral ook kennissen en vrienden, advies geven over hoe je je leven zou moeten leiden en welke dingen je zou moeten doen, gaan ze er vaak vanuit dat wat zijzelf leuk vinden of wat voor henzelf goed is eigenlijk voor iedereen leuk en goed zou zijn. Psycholoog Keirsey betoogt daarentegen dat mensen verschillend zijn, waardoor ze door heel andere dingen bewogen, gemotiveerd en (on)gelukkig gemaakt worden. 

Om de verschillen die hij in zijn jarenlange praktijkervaring gevonden heeft te beschrijven, onderscheidt hij in navolging van Myers en Briggs zestien persoonlijkheidstypes op basis van vier criteria: Introversion vs Extraversion, iNtuition vs Sensation, Thinking vs Feeling, en Judging vs Perceiving. Die zestien types (bijvoorbeeld INFJ) passen bovendien in viertallen binnen een grovere indeling van vier temperamenten: het dionysustemperament (SP), het epimetheustemperament (SJ), het prometheustemperament (NT), en het Apollotemperament (NF). De type- en temperamentomschrijvingen zijn erg herkenbaar en de bijgaande uitleg is erg handig om andere mensen beter te leren begrijpen. Voor degenen die hun eigen type of dat van een ander willen achterhalen is er in het boekje een persoonlijkheidstest ingesloten.

 

The Fountainhead / De eeuwige bron (Ayn Rand, 1943)
Vergeleken met Atlas Shrugged is deze eerdere roman van Ayn Rand minder ideologisch en meer psychologisch van aard. Het verhaal gaat over de architect Howard Roark, die gebouwen ontwerpt vanuit een eenduidige visie op architectuur en daarmee ingaat tegen de eclectische bouwcultuur van dat moment. In zijn doen en laten is Roark een weergave van Ayn Rands ideale mens: hij is de man van integriteit, de man die vasthoudt aan zijn principes.

De psychologie van de andere hoofdpersonen is ruwweg als volgt: 
Architect Peter Keating is de tegenpool van Roark. Hij is de ultieme meeloper, de man die niet voor zich zelf kan denken en geen eigen principes heeft. Recensist Elsworth Toohey is de machtswellusteling. Hij maakt kundig gebruik van meelopers als Keating om zijn eigen invloed te vergroten. Uitgever Gail Wynand is de opportunist. Hij denkt dat hij juist door geen principes te hebben het meest succesvol kan zijn in zijn leven.
 
Columniste Dominique Francon tenslotte leren we kennen als de apatische cynicus. Ze is bang om gekwetst te worden door een wereld waarin degenen met het minst integriteit het meest succesvol lijken te zijn. Daarom verzet ze zich tegen haar liefde voor Roark, want deze gaat schijnbaar ten koste van zichzelf tegen deze wereld in door aan zijn principes vast te houden. Uiteindelijk blijkt echter dat Roark beter af is dan de mensen die geen principes hebben, zoals Keating en Wynand. Pas als dat haar duidelijk is, geeft Dominique toe aan haar liefde voor Roark.

De Nederlandse vertaling van The Fountainhead, getiteld "De eeuwige bron", is in 2006 opnieuw uitgebracht.